Optologisch Centrum Purmerend

 

 

 

 

Copyright © Optologisch Centrum Purmerend





de vier cirkels van skeffington

anti-gravity
centring
identification (C)
speech-auditory (D)
vision

 

anti-gravity
Cirkel A. De eerste cirkel noemt Skeffington 'anti-gravety' en die heeft alles te maken met bewegen. Het kind leert zich bewegen en voortbewegen in het veld van de zwaartekracht. Het leert zijn hoofd rechtop te houden wanneer het op zijn buik ligt, het leert om te rollen, te kruipen, te grijpen en los te laten, recht op te staan en te lopen, en met handen gereedschap te gebruiken.

Het anti-gravery proces leert het kind wie het is. Het leert lichaamsbesef. Dit geeft hem een vast punt van waaruit het zich kan bewegen in de ruimte. Hier functioneren 3 subsystemen die de hersenen informatie geven over de positie van het kind in de ruimte en in relatie met de zwaartekracht

 
  • Ten eerste verschaffen de labyrinthen van het middenoor informatie over de beweging van hoofd en lichaam, versnelling en vertraging in verschillende richtingen.
  • De nekspieren zijn belangrijke indicatoren van de hoofdpositie ten opzichte van de lichaamspositie. Samen met de inputs van alle spieren van het lichaam, hun samentrekken en spanning (die ontstaat door de gewichtsverdeling in het lichaam als reactie op de zwaartekracht, de proprioceptoren) is dit het tweede subsysteem
  • Het derde is dat van de ogen. Ongeveer 20 % van de impulsen van de ogen gaat naar de gebieden in de hersenen die betrokken zijn bij de lichaamsbalans.

    Elk van deze subsystemen moet in relatie tot de andere twee functioneren om een dynamisch evenwicht te produceren tegen de zwaartekracht.

  1.  Het kind leert zijn lichaamsschema door te bewegen en de reactie-input van de spieren naar de hersenen, wat een gewaarwording van de werking van de ledematen tegen de zwaartekracht in levert. Het leert de beweging van het hele lichaam te besturen en alle delen samen te laten werken om stabiliteit en een dynamisch evenwicht te handhaven en vloeiend en efficiënt te kunnen bewegen.Het lichaamschema verschaft de basis voor de ontwikkeling van het besef 'wie ben ik?'Voor deze ontwikkeling zal het kind door ruimtelijke verhoudingen buiten het lichaam, antwoord krijgen op de vraag "waar ben ik?'
    Een ruimtelijke gewaarwording wordt verkregen door het lichaam door de ruimte van het ene naar het andere punt te bewegen. Er is geen andere directe informatiemogelijkheid over de ruimtelijke verhouding van het kind in zijn omgeving, alleen via bewegen. Het is alleen beschikbaar als secondaire functie, tot stand gekomen door het functioneren van de labyrinthen, lichaamspieren en de ogen, ontwikkeld in de hersenen.
    begin pagina

    centering
    Cirkel B. Het tweede gebied noemt Dr. Skeffington 'Centering', het gebied van de attentie. De mens kan attent zijn op, de aandacht richten op de inputs van horen, tasten, proeven, ruiken, kijken en bewegen. Ideaal gesproken zou men de aandacht van het ene object naar het andere object moeten kunnen richten als de noodzaak daartoe zich voordoet. Of men kan de aandacht juist op één gebied richten en de rest negeren. (object/achtergrond).
    Input is niet statisch: het kind gebruikt het; richt de aandacht erop om de samenhang, de flexibiliteit en de omvang van de informatie te perfectioneren. Het komt steeds meer te weten over zijn omgeving. Het kan leren meer en meer informatie te krijgen met steeds minder input, tot alleen een korte lichtflits op een object of slechte een kleine aanraking hem kan informeren .
    Dit proces komt voort uit de kennis van 'waar de dingen zijn'. De aandacht is een proces van plaatsbepaling. Door beide ogen te gebruiken krijgt men een 'uitlijning' van de oogassen. De ogen moeten op het zelfde moment op hetzelfde object 'uitgelijnd' worden om een goede samenwerking te krijgen om alle elementen die ingeschakeld worden om de impulsen, binnenkomend in elk van beide ogen, adequaat te verwerken.
    Als ze niet gelijnd zijn, als één oog op het object en het andere op iets anders gericht is (verder weg, dichterbij, hoger of lager) zullen de imputs niet samenvallen. Er worden dan twee objecten waargenomen met de ogen en maar één met de tast. Het organisme moet die verwarring oplossen door beide ogen opnieuw uit te lijnen of door blokkering van de input van één oog, ergens achter de ogen voordat het in de cortex komt. Stel de verwarring en inconsequentie voor wanneer het kind één object met de tast en twee met de ogen waarneemt!
    Als de ogen eenmaal uitgelijnd zijn, kan de persoon de aandacht richten op dat wat het wil en de plaats daarvan bepalen ten opzichte van andere punten er om heen en om hém heen. Het kan weten 'waar het is' en 'waar de dingen in zijn omgeving zijn'. Als er, om wat voor reden ook maar, een hinder in dit proces is, zal het kind de plaats van de dingen verkeerd berekenen en als resultaat daarvan zal er een verlies van ruimtelijke stabiliteit zijn en een onzekerheid in het informatieproces. Bovendien: 'Hij die onzeker is in de ruimte is ook onzeker in zijn zijn'
    Snelle, accurate, gelijktijdige en een vaardige uitlijning van de ogen is de basis van binoculair zien. Dit is de samenwerking en het vaardig gebruik maken van de ogen als paar. De basis voor binoculariteit ligt in het totale bewegingspatroon, door baby en kind geleerd, welke beide lichaamshelften tot één geheel maakt. (reciprocal interweving = wederzijdse verwevenheid)
    Het kind leert kruipen, grijpen en lopen, door de samenwerking van armen en benen: de linkerarm beweegt als het rechterbeen naar voren wordt geduwd. De verweven patronen bouwen bilateraliteit, symmetrie en asymmetrie en een dynamische evenwicht op.
    Eén van de doelen in de begeleiding van de ontwikkeling van het visuele proces is: adequate binoculariteit.
    Vandaar de noodzaak, wil het kind een adequate binoculariteit kunnen ontwikkelen, van de oneindig herhaalde bewegingspatronen. (rollen, rechtop zitten, kruipen, grijpen, lopen, rennen, huppelen, hoepelen, zwemmen, fietsen, enz.) Verder is er nog de wederzijdse verwevenheid van rechts en links, top en tenen, armen en benen, arm en arm, been en been, ogen en armen, ogen en benen, oog en oog, ogen met beide handen, ogen met elke van beide handen. Dit alles leidt tot bilateraliteit en binoculariteit.
    De middellijn van het lichaam moet noodzakelijkerwijs gepasseerd kunnen worden; armen, benen en ogen geinterrelateerd. Uit al deze bewegingen komt richtingsbesef door zelfbesef (innerlijke ruimte), waar de zijden zijn (deel van het lichaamschema) en het in staat zijn in de ruimte te projecteren waar de dingen zijn (uiterlijke ruimte).Het kind kan dan bv. weten wanneer de lus aan de ene of aan de andere zijde van de verticale streep is, het een b, een d, een p, of een q is. Het kan de relatieve positie van de objecten in de ruimte bepalen door te kijken wanneer de o aan de linker of rechter zijde van de p is, het 'op' of 'po' is. Het centeringproces beantwoordt de vraag 'waar is het?' Dit hangt af van een adequate ontwikkeling van het 'wie ben ik?'proces (anti-gravity). Elk van deze gebieden kan optologisch worden getest, geanalyseerd, ontwikkeld en getraind.
    begin pagina

     

    identification

    Cirkel C Het derde gebied in de vier cirkels noemt. Dr. Skeffington dat van de 'Identification'. Alle zintuigen dragen bij tot dit gebied. Gelijkheid en verschil worden hierin benadrukt. Het omvat kijken, horen, tasten, proeven en ruiken. Structuur, temperatuur, grootte, vorm, gewicht, kleur, smaak, snelheid, afstand en vele andere factoren worden geleerd. In de traditionele benadering van het kijken is men alleen maar bezorgd over de helderheid en scherpte van het brandpunt op het netvlies. Het oog heeft weliswaar een lenssysteem, maar functioneert niet zoals een fototoestel, in tegenstelling met wat in veel boeken wordt beweerd. Men zou geen camera willen met zoveel 'fouten' als het menselijk oog heeft. Het oog is in staat de focus te veranderen, en kan dus ook buiten focus zijn, waar door men zegt 'wazig'te zien.
    De moderne optologische inzichten houden er rekening mee dat er mensen zijn die zeer snel en zeer veel kunnen leren zonder een letter scherp te kunnen zien. In de oude theorie kunnen zulke dingen niet voorkomen.
    Het identificatieproces omvat een samenwerking tussen de biljoen 'on' en 'off'impulsen binnen elk oog: deze verbinden zich tot een uniek patroon. Dit patroon gaat vervolgens samen met de 'on' en 'off' patronen van andere zintuigen van dat moment én de patronen die reeds in de cortex opgeslagen zijn en die bestemd zijn voor een onmiddellijke oplossing van zich voordoende problemen. Als een kind bijvoorbeeld naar een appel kijkt, verlaat een bijzonder patroon van impulsen de retina van elk oog dat ontstaan is door het teruggekaatste licht van de appel dat door het oog wordt opgevangen. Er gaat geen lichtpatroon naar de hersenen, alleen de biljoen 'on' en 'off'impulsen. Het patroon van het ene oog wordt in de hersenen samengevoegd met dat uit het andere oog en één uniek patroon wordt tot stand gebracht. Als het kind de appel aanraakt komen er andere patronen in de hersenen bij: die van het oppervlak van de schil, via de vingers (spieren, samenwerking, pezen) en het gewicht via de pols, arm , in feite het hele lichaam (het unieke en kenmerkende van dat moment). Het patroon vanuit de ogen, de patronen vanuit het aanraken en die vanuit de rest van het lichaam kunnen worden samengevoegd. Als aanvulling: deze patronen worden samengevoegd met de ontelbare patronen die in de loop der jaren zijn opgeslagen, die gerelateerd zijn met rondheid, hardheid, roodheid en vorm van appels. Op het moment van samenvoeging weet het kind dat het de appel 'ziet'. In feite hoeft het de appel niet aan te raken om te weten hoe die voelt: door alleen maar te kijken weet het hoe de appel aanvoelt en ook door alleen maar te voelen weet het hoe de appel eruit ziet (zij het beperkter). Niemand weet (nog?) precies hoe die samenvoeging gebeurt. Het belang van kijken naar, tegelijk met voelen, bewegen, ruiken e.d kan evenwel niet worden onderschat. Koppeling en samenwerking maakt het op den duur mogelijk uit de input van één zintuig alles te weten omtrent het object. In feite is een symbool van de appel voldoende om uit de herinnering te halen hoe die smaakt, hoe het klinkt als men erin bijt, hoe die aanvoelt, ruikt, enz. Het zelfde is dit met de letters a p p e l met inkt op papier geschreven. Alles wat men over de appel weet kan worden opgeroepen bij het zien van deze 5 lettertekens.Het identificatieproces geeft antwoord op de vraag 'wat het is'. 'Wat het is' schijnt voort te komen uit het weten 'waar het is', wat op zijn beurt weer voortkomt uit het weten 'waar ik ben' en 'wie ik ben'. In dit stadium van het model kunnen we 'zien' doortrekken naar het proces van hoe iemand kan communiceren, met zichzelf en met anderen, met de informatie die hij over de wereld om hem heen heeft verzameld.
    begin pagina

     

     

     

    speech-auditory
    Cirkel D. Het vierde gebied heeft Dr. Skeffington 'Speech-auditory' genoemd.
    Hoewel de vier processen apart en in volgorde besproken worden, ontwikkelen zij zich gelijktijdig. Ze kunnen beurtelings periodiek overheersen, maar dat betekent niet dat de andere drie processen niet tegelijk ook verder gaan.De baby leert luisteren en relateert moeders voetstappen met het waarnemen van de fles en met de smaak van melk. Spoedig zal het huilen van de honger ophouden bij het horen van die voetstappen en niet door andere geluiden. Het leert geluid te moduleren, gaat geluiden imiteren, spreekgeluid maken en uiteindelijk met moeders intonatie objecten benoemen. Het leert spreken.

    De patronen van geluid en de patronen van spreken worden samengevoegd en die op hun beurt weer met de patronen van kijken, tasten, proeven, enz. Het kind kan naar een object kijken en het benoemen. Het kan naar woorden luisteren en het weet hoe het genoemde object eruit ziet. Het kan een object 'visualiseren', zonder dat het dit direct ziet.
    begin pagina

     

     

    vision
    Vision', de naam die Skeffington eraan gaf, is geplaatst op de overlapping van de vier cirkels. ZIEN is het tevoorschijn tredende, de output. Zicht is input, de ruwe gegevens. ZIEN is de totale som van de ervaring van het organisme: opgebouwd, geabstraheerd en naar het probleem gebracht, gericht op de oplossing daarvan. Door het proces van 'ZIEN' kunnen we door te kijken onze wereld kennen. "Ik zie' betekent in werkelijkheid "ik weet', 'ik begrijp'.

    ZIEN is de mogelijkheid de dingen te begrijpen die we niet kunnen aanraken, proeven, ruiken of horen.

    Door de onderliggende processen anti-gravity, centering, identification en speech-auditory is het tevoorschijn komende ZIEN zoals het is. ZIEN is een verworven mogelijkheid informatie te ontvangen en te verwerken. ZIEN bevrijdt het organisme van tijd- en ruimtebeperkingen. Bij afwezigheid van de mogelijkheid om het kijkzintuig te gebruiken, kunnen de andere zintuigen veel opvangen, maar zij kunnen ooit díe verrijking verschaffen, díe kwaliteit en díe diepte die het natuurlijke proces van het zien verschaft.
    In de algemene ontwikkeling van het kind ontwikkelt zich ook de rijpheid van het zien. Mocht er in de natuurlijke ontwikkeling een hapering zijn opgetreden, dan kan er varvangende ontwikkeling zijn in de vorm van training. Natuurlijk niet met dezelfde uitgebreidheid als die geworden zou zijn op de eigen biologische tijd. Niettemin kan het heel verruimend zijn, in ieder geval veel verruimender dan dat het nooit zou zijn geleerd
    begin pagina

 

 

 



 

Type het woord in waarop u wilt
zoeken in het onderstaande
venster
en druk op de knop Find!

Search this site or the web powered by FreeFind

Site search Web search