Het kind leert
zijn lichaamsschema door te bewegen en de reactie-input
van de spieren naar de hersenen, wat een gewaarwording
van de werking van de ledematen tegen de zwaartekracht in
levert. Het leert de beweging van het hele lichaam te
besturen en alle delen samen te laten werken om
stabiliteit en een dynamisch evenwicht te handhaven en
vloeiend en efficiënt te kunnen bewegen.Het
lichaamschema verschaft de basis voor de ontwikkeling van
het besef 'wie ben ik?'Voor deze ontwikkeling zal het
kind door ruimtelijke verhoudingen buiten het lichaam,
antwoord krijgen op de vraag "waar ben ik?'
Een ruimtelijke gewaarwording wordt verkregen door het
lichaam door de ruimte van het ene naar het andere punt
te bewegen. Er is geen andere directe
informatiemogelijkheid over de ruimtelijke verhouding van
het kind in zijn omgeving, alleen via bewegen. Het is
alleen beschikbaar als secondaire functie, tot stand
gekomen door het functioneren van de labyrinthen,
lichaamspieren en de ogen, ontwikkeld in de hersenen.
begin
pagina
centering
Cirkel B. Het tweede
gebied noemt Dr. Skeffington 'Centering', het gebied van
de attentie. De mens kan attent zijn op, de aandacht
richten op de inputs van horen, tasten, proeven, ruiken,
kijken en bewegen. Ideaal
gesproken zou men de aandacht van het ene object naar het
andere object moeten kunnen richten als de noodzaak
daartoe zich voordoet. Of men kan de aandacht juist op
één gebied richten en de rest negeren.
(object/achtergrond).
Input is niet statisch: het kind gebruikt het; richt de
aandacht erop om de samenhang, de flexibiliteit en de
omvang van de informatie te perfectioneren. Het komt
steeds meer te weten over zijn omgeving. Het kan leren
meer en meer informatie te krijgen met steeds minder
input, tot alleen een korte lichtflits op een object of
slechte een kleine aanraking hem kan informeren .
Dit proces komt voort uit de kennis van 'waar de dingen
zijn'. De aandacht is een proces van plaatsbepaling. Door
beide ogen te gebruiken krijgt men een 'uitlijning' van
de oogassen. De ogen moeten op het zelfde moment op
hetzelfde object 'uitgelijnd' worden om een goede
samenwerking te krijgen om alle elementen die
ingeschakeld worden om de impulsen, binnenkomend in elk
van beide ogen, adequaat te verwerken. Als ze niet gelijnd zijn,
als één oog op het object en het andere op
iets anders gericht is (verder weg, dichterbij, hoger of
lager) zullen de imputs niet samenvallen. Er worden dan
twee objecten waargenomen met de ogen en maar
één met de tast. Het organisme moet die
verwarring oplossen door beide ogen opnieuw uit te lijnen
of door blokkering van de input van één
oog, ergens achter de ogen voordat het in de cortex komt.
Stel de verwarring en inconsequentie voor wanneer het
kind één object met de tast en twee met de
ogen waarneemt!
Als de ogen eenmaal uitgelijnd zijn, kan de persoon de
aandacht richten op dat wat het wil en de plaats daarvan
bepalen ten opzichte van andere punten er om heen en om
hém heen. Het kan weten 'waar het is' en 'waar de
dingen in zijn omgeving zijn'. Als er, om wat voor reden
ook maar, een hinder in dit proces is, zal het kind de
plaats van de dingen verkeerd berekenen en als resultaat
daarvan zal er een verlies van ruimtelijke stabiliteit
zijn en een onzekerheid in het informatieproces.
Bovendien: 'Hij die onzeker is in de ruimte is ook
onzeker in zijn zijn'
Snelle, accurate, gelijktijdige en een vaardige
uitlijning van de ogen is de basis van binoculair zien.
Dit is de samenwerking en het vaardig gebruik maken van
de ogen als paar. De basis voor binoculariteit ligt in
het totale bewegingspatroon, door baby en kind geleerd,
welke beide lichaamshelften tot één geheel
maakt. (reciprocal interweving = wederzijdse
verwevenheid)
Het kind leert kruipen, grijpen en lopen, door de
samenwerking van armen en benen: de linkerarm beweegt als
het rechterbeen naar voren wordt geduwd. De verweven
patronen bouwen bilateraliteit, symmetrie en asymmetrie
en een dynamische evenwicht op.
Eén van de doelen in de begeleiding van de
ontwikkeling van het visuele proces is: adequate
binoculariteit.
Vandaar de noodzaak, wil het kind een adequate
binoculariteit kunnen ontwikkelen, van de oneindig
herhaalde bewegingspatronen. (rollen, rechtop zitten,
kruipen, grijpen, lopen, rennen, huppelen, hoepelen,
zwemmen, fietsen, enz.) Verder is er nog de wederzijdse
verwevenheid van rechts en links, top en tenen, armen en
benen, arm en arm, been en been, ogen en armen, ogen en
benen, oog en oog, ogen met beide handen, ogen met elke
van beide handen. Dit alles leidt tot bilateraliteit en
binoculariteit.
De middellijn van het lichaam moet noodzakelijkerwijs
gepasseerd kunnen worden; armen, benen en ogen
geinterrelateerd. Uit al deze bewegingen komt
richtingsbesef door zelfbesef (innerlijke ruimte), waar
de zijden zijn (deel van het lichaamschema) en het in
staat zijn in de ruimte te projecteren waar de dingen
zijn (uiterlijke ruimte).Het kind kan dan bv. weten
wanneer de lus aan de ene of aan de andere zijde van de
verticale streep is, het een b, een d, een p, of een q
is. Het kan de relatieve positie van de objecten in de
ruimte bepalen door te kijken wanneer de o aan de linker
of rechter zijde van de p is, het 'op' of 'po' is. Het
centeringproces beantwoordt de vraag 'waar is het?' Dit
hangt af van een adequate ontwikkeling van het 'wie ben
ik?'proces (anti-gravity). Elk van deze gebieden kan
optologisch worden getest, geanalyseerd, ontwikkeld en
getraind.
begin
pagina
I
identification
Cirkel C Het derde
gebied in de vier cirkels noemt. Dr. Skeffington dat van
de 'Identification'. Alle
zintuigen dragen bij tot dit gebied. Gelijkheid en
verschil worden hierin benadrukt. Het omvat kijken,
horen, tasten, proeven en ruiken. Structuur, temperatuur,
grootte, vorm, gewicht, kleur, smaak, snelheid, afstand
en vele andere factoren worden geleerd. In de
traditionele benadering van het kijken is men alleen maar
bezorgd over de helderheid en scherpte van het brandpunt
op het netvlies. Het oog heeft weliswaar een lenssysteem,
maar functioneert niet zoals een fototoestel, in
tegenstelling met wat in veel boeken wordt beweerd. Men
zou geen camera willen met zoveel 'fouten' als het
menselijk oog heeft. Het oog is in staat de focus te
veranderen, en kan dus ook buiten focus zijn, waar door
men zegt 'wazig'te zien.
De moderne optologische inzichten houden er rekening mee
dat er mensen zijn die zeer snel en zeer veel kunnen
leren zonder een letter scherp te kunnen zien. In de oude
theorie kunnen zulke dingen niet voorkomen. Het identificatieproces
omvat een samenwerking tussen de biljoen 'on' en
'off'impulsen binnen elk oog: deze verbinden zich tot een
uniek patroon. Dit
patroon gaat vervolgens samen met de 'on' en 'off'
patronen van andere zintuigen van dat moment én de
patronen die reeds in de cortex opgeslagen zijn en die
bestemd zijn voor een onmiddellijke oplossing van zich
voordoende problemen. Als een kind bijvoorbeeld naar een
appel kijkt, verlaat een bijzonder patroon van impulsen
de retina van elk oog dat ontstaan is door het
teruggekaatste licht van de appel dat door het oog wordt
opgevangen. Er gaat geen lichtpatroon naar de hersenen,
alleen de biljoen 'on' en 'off'impulsen. Het patroon van
het ene oog wordt in de hersenen samengevoegd met dat uit
het andere oog en één uniek patroon wordt
tot stand gebracht. Als het kind de appel aanraakt komen
er andere patronen in de hersenen bij: die van het
oppervlak van de schil, via de vingers (spieren,
samenwerking, pezen) en het gewicht via de pols, arm , in
feite het hele lichaam (het unieke en kenmerkende van dat
moment). Het patroon vanuit de ogen, de patronen vanuit
het aanraken en die vanuit de rest van het lichaam kunnen
worden samengevoegd. Als aanvulling: deze patronen worden
samengevoegd met de ontelbare patronen die in de loop der
jaren zijn opgeslagen, die gerelateerd zijn met rondheid,
hardheid, roodheid en vorm van appels. Op het moment van
samenvoeging weet het kind dat het de appel 'ziet'. In
feite hoeft het de appel niet aan te raken om te weten
hoe die voelt: door alleen maar te kijken weet het hoe de
appel aanvoelt en ook door alleen maar te voelen weet het
hoe de appel eruit ziet (zij het beperkter). Niemand weet
(nog?) precies hoe die samenvoeging gebeurt. Het belang
van kijken naar, tegelijk met voelen, bewegen, ruiken e.d
kan evenwel niet worden onderschat. Koppeling en
samenwerking maakt het op den duur mogelijk uit de input
van één zintuig alles te weten omtrent het
object. In feite is een symbool van de appel voldoende om
uit de herinnering te halen hoe die smaakt, hoe het
klinkt als men erin bijt, hoe die aanvoelt, ruikt,
enz. Het zelfde is
dit met de letters a p p e l met inkt op papier
geschreven. Alles wat men over de appel weet kan worden
opgeroepen bij het zien van deze 5 lettertekens.Het
identificatieproces geeft antwoord op de vraag 'wat het
is'. 'Wat het is' schijnt voort te komen uit het weten
'waar het is', wat op zijn beurt weer voortkomt uit het
weten 'waar ik ben' en 'wie ik ben'. In dit stadium van
het model kunnen we 'zien' doortrekken naar het proces
van hoe iemand kan communiceren, met zichzelf en met
anderen, met de informatie die hij over de wereld om hem
heen heeft verzameld.
begin
pagina
speech-auditory
Cirkel D. Het vierde
gebied heeft Dr. Skeffington 'Speech-auditory'
genoemd.
Hoewel de vier processen apart en in volgorde besproken
worden, ontwikkelen zij zich gelijktijdig. Ze kunnen
beurtelings periodiek overheersen, maar dat betekent niet
dat de andere drie processen niet tegelijk ook verder
gaan.De baby leert luisteren en relateert moeders
voetstappen met het waarnemen van de fles en met de smaak
van melk. Spoedig zal het huilen van de honger ophouden
bij het horen van die voetstappen en niet door andere
geluiden. Het leert geluid te moduleren, gaat geluiden
imiteren, spreekgeluid maken en uiteindelijk met moeders
intonatie objecten benoemen. Het leert
spreken.
De patronen van geluid en
de patronen van spreken worden samengevoegd en die op hun
beurt weer met de patronen van kijken, tasten, proeven,
enz. Het kind kan naar een object kijken en het benoemen.
Het kan naar woorden luisteren en het weet hoe het
genoemde object eruit ziet. Het kan een object
'visualiseren', zonder dat het dit direct ziet.
begin
pagina
vision
Vision', de naam die
Skeffington eraan gaf, is geplaatst op de overlapping van
de vier cirkels. ZIEN is het tevoorschijn tredende, de
output. Zicht is input, de ruwe gegevens. ZIEN is de
totale som van de ervaring van het organisme: opgebouwd,
geabstraheerd en naar het probleem gebracht, gericht op
de oplossing daarvan. Door het proces van 'ZIEN' kunnen
we door te kijken onze wereld kennen. "Ik zie' betekent
in werkelijkheid "ik weet', 'ik begrijp'.
ZIEN is de mogelijkheid
de dingen te begrijpen die we niet kunnen aanraken,
proeven, ruiken of horen.
Door de onderliggende
processen anti-gravity, centering, identification en
speech-auditory is het tevoorschijn komende ZIEN zoals
het is. ZIEN is een verworven mogelijkheid informatie te
ontvangen en te verwerken. ZIEN bevrijdt het organisme
van tijd- en ruimtebeperkingen. Bij afwezigheid van de
mogelijkheid om het kijkzintuig te gebruiken, kunnen de
andere zintuigen veel opvangen, maar zij kunnen ooit
díe verrijking verschaffen, díe kwaliteit
en díe diepte die het natuurlijke proces van het
zien verschaft.
In de algemene ontwikkeling van het kind ontwikkelt zich
ook de rijpheid van het zien. Mocht er in de natuurlijke
ontwikkeling een hapering zijn opgetreden, dan kan er
varvangende ontwikkeling zijn in de vorm van training.
Natuurlijk niet met dezelfde uitgebreidheid als die
geworden zou zijn op de eigen biologische tijd. Niettemin
kan het heel verruimend zijn, in ieder geval veel
verruimender dan dat het nooit zou zijn geleerd
begin
pagina