Optologie houdt zich
bezig met het visuele functioneren, de ontwikkeling van
het visuele systeem en het daar uit voortvloeiende
gedrag.
het functionele model
Het voorschrijven van
brillen om de beste scherpte te halen is nog steeds aan
de orde van de dag. Deze structurele benadering gaat
voorbij aan vele functie's van het visuele syteem. Onze
ogen doen meer dan alleen een scherp beeld oproepen.
Oogbeweging is een belangrijke perceptueel systeem, wat
we gebruiken om plaats te bepalen in de ruimte. Hierdoor
weten we waar we zijn en waar de voorwerpen zijn in onze
omgeving. Door te bewegen in de ruimte verandert de
plaats van de objecten en de factor tijd zorgt ervoor dat
de ruimte voorspelbaar is. Om te weten wat de objecten in
onze omgeving zijn moeten we optisch scherpstellen. Door
de scherpe impressie te koppelen aan andere zintuiglijke
ervaring, zoals voelen, ruiken, proeven en horen, leren
we wat we zien. Dit noemen we identificatie. Door het
benoemen van van de voorwerpen en ruimte kunnen we
communiceren. Belangrijk is het om ons te realiseren dat
in dit hele concept ons lichaam de referentie, het
uitgangspunt van de hele waarneming is.
Skeffington bedacht in de
begin van de vorige eeuw al hiervoor de
interlocking circle's.
Deze vier in elkaar overlopende cirkels geven het eind
resultaat Vision (met de betekennis van visueel inzicht).
De vier cirkels noemde hij identificatie, lokalisatie,
spreek-luister en lichaamsgevoel.(zie afb.)
begin
pagina
het
ontwikkelingsmodel
Het visuele systeem
is heel complex en moet na de geboorte zich nog
ontwikkelen. Het is dus niet kant en klaar. Een kind doet
ervaring op en leert in een stimulerende omgeving. Het
moet leren de zintuiglijke ervaringen te interpreteren en
met elkaar te integreren. Het leren hiervan verloopt in
verschillende stadia en bestaat uit vijf
deelfuncties:
-basis reflex
-algemene motoriek
-specifieke motoriek
-oogbeweging
-communicatie
De ontwikkelingsstadia zijn geformuleerd door de
zwitserse psycholoog Piaget die aantoonde dat de
intelligentie bij kinderen via een bepaald model zich
dient te ontwikkelen.
Het eerste stadium is "sensorisch motorisch", heel dicht
om het kind heen. In deze periode ontstaan de eerste
gewoontes. Op het eind er van ontwikkelt de taal en het
inzicht. Globaal duurt dit van 0 tot 2 jaar. Hierop volgt
een periode van "concrete operaties". Het kind handeld
ego-centrisch, bekijkt maar één aspect.
Kent alleen de begin- en eindfase, dus niet een
veranderend proces. Het kind kan niet logisch terug
redeneren. Dit speelt zich af van 2 tot 7 jaar. Van 7 tot
11 jaar gaat het kind de dingen in relatie met zichzelf
plaatsen. Het kind kan zich andere gezichtspunten
voorstellen. Het kind kan meerdere dingen overzien en met
elkaar in verband brengen. De laatste periode die PIaget
omschrijft is die van de "formele operaties". Het
kind hanteert Euclidische technieken: het kan dingen met
elkaar in verband brengen én met zichzelf. Het
kind is nu tussen de 11 en de 16 jaar oud.
begin
pagina
het
gedragsmodel
Wij mensen reageren op onze omgeving. Door de zintuigen
kunnen we de om geving kennen.Het visuele zintuig is
hierbij dominant.Als de omgeving duidelijk is, zal je je
veilig voelen. Als je weet wáár je bent en
je weet wáár de dingen zijn, en je
voldoende overzicht hebt, is aan je gevoel voor
veiligheid voldaan. Je zal weten welke prikkels je
negeren kan en op welke je moet reageren. Is de omgeving
verwarrend dan zal je je er uit terug trekken, of in het
wilde weg op van alles reageren. Het overzien van de
situatie, het selecteren wat van belang voor je is,
bepaalt je gedrag. Maar ook zal je
vóórstelling van de ruimte dat doen.
Veiligheid in de ruimte ontstaat als je in de toekomst
kan voorspellen hoe die er uit gaat zien. Klopt die met
de werkelijkheid dan zal je adequaat reageren. Als je
voorstelling onbetrouwbaar is, zal het gedrag onzeker
zijn. De visuele analyse meet zowel de
waarnemingsstrategie als die van de voorstelling. Dit
zowel in de grote als in de kleine ruimte.
begin
pagina
|
het
onderzoek
Het optologish onderzoek bestaat uit het opnemen
van de voorgeschiedenis en het maken van de
visuele analyse die aangevuld wordt met
sub-testen. De voorgeschiedenis is vooral van
belang om het moment waarop de problemen zijn
ontstaan vast te leggen, maar ook om mogelijk
aanleg en afwijkende omstandigheden in
ontwikkeling te achterhalen. D.m.v. de visuele
analyse weten we exact hoe het visuele systeem
werkt m.b.t. tot het scherpstellen, oogbeweging,
overzicht, centrale waarneming,diepte zicht, en
de niveau's van automatisering. De sub-testen
zijn vooral om te doorgronden hoe met bepaalde
berkingen d.m.v. compensatie's wordt
omgegaan.
Aan de hand van deze gegevens wordt er een
analyse gemaakt en een behandelingsplan.
|
 |
begin
pagina
de
behandeling
De behandeling kan bestaan uit het voorschrijven van
optische correctie zoals een bril of contactlenzen. Deze
bril of contactlenzen kunnen voor full-time gebruik
bedoeld zijn of moeten alleen onder bepaalde
omstandigheden gebruikt worden.
De correctie kan verschillende doelen hebben.
1e preventief
2e therpeutisch
3e corigerend
Binnen het behandelingsplan zal er altijd aandacht zijn
voor vaardigheden die verbeterd kunnen worden. Het
verbeteren van vaardigheden d.m.v. oefening heeft een
hoge prioriteit. Het aanleren van vaardigheden,
visuele
traininig dus,
zal vaak op het optologisch centrum begeleid moeten
worden, maar vooral het herhalen en inslijpen van
vaardigheden kan veelal d.m.v. een oefenprogramma thuis
plaats vinden.
Ook is het mogelijk om in bepaalde gevallen voor een
lichttherapie
te kiezen wat als voordeel heeft dat er minder intensief
geoefend hoeft te worden en het een hoog rendement geeft
in gestructureerde probleem gevallen.
begin
pagina
adviezen
Naar aanleiding van de analyse worden er natuurlijk ook
algemene adviezen gegeven m.b.t. werkomstandigheden,
werkdruk, vrijetijdsbesteding en sport en spel. Vooral de
werkhouding en de werkafstand zijn zeer belangrijk.
Betreffende de werkomstandigheden wordt gesproken over
meubilair, licht en het soort taken die verricht moeten
worden. De werkdruk wordt bepaald door de intensievitiet
, tijdsduur, moeilijkheidsgraad en druk van buiten af. In
de vrijetijdsbesteding is het natuurlijk belangrijk dat
de intensiviteit van het werk niet wordt gekopieerd, maar
dat we proberen zoveel mogelijk ontspanning te
bewerkstelligen. Sport- en spelsituaties kunnen
natuurlijk een optimale aanvulling zijn op oefensituatie
en kan iemand leren plezier te beleven aan ruimtelijke,
motorische of coordinatieactivitieten
Het is natuurlijk ook mogelijk dat we naar andere
disciplines moeten verwijzen voor een optimale aanvulling
op de therapie ( b.v. ergonomie, fysiotherapie,
senso-therapie, logopedie, etc).
begin
pagina